Koersdalingen horen erbij
Wie als belegger een lange horizon heeft, ontkomt niet aan forse koersdalingen. Zelfs Warren Buffett niet. Het jaarverslag van Berkshire Hathaway toont de jaarlijkse koersresultaten van Berkshire en de S&P 500 sinds 1965. In het meest extreme jaar, 1974, daalde de beurswaarde per aandeel van Berkshire met 48,7% — bijna een halvering. Binnen een kalenderjaar kunnen de uitslagen bovendien nog groter zijn dan deze jaarcijfers laten zien. Even opvallend is het herstel dat volgde: in 1976 steeg de koers met 129,3% — ruim meer dan een verdubbeling.
Verdienvermogen als anker
De les is niet dat elke koersdaling vanzelf goedkomt. De les is dat het verdienvermogen van bedrijven — en niet de koers van vandaag — het oordeel moet bepalen. Is dat verdienvermogen op orde, dan zal de koers dat vroeg of laat weerspiegelen. Benjamin Graham vatte het treffend samen: op de korte termijn is de markt een voting machine, op de lange termijn een weighing machine.
De cijfers van Berkshire Hathaway illustreren dit. Ondanks meerdere scherpe dalingen komt het samengestelde jaarrendement over de periode 1965–2023 uit op 19,8%, tegenover 10,2% voor de S&P 500, inclusief dividend. Over de volledige periode is dat een totaalrendement van 4.384.748% tegenover 31.223%.
De implicaties
Voor wie belegt met een lange horizon zijn koersdalingen geen uitzondering, maar een gegeven. Blijft het verdienvermogen van je beleggingen op peil, dan is er geen reden voor paniek — en kan een lagere koers voor hetzelfde verdienvermogen juist een aantrekkelijk moment zijn om bij te kopen. De crux zit dan ook in de beoordeling van dat verdienvermogen. Daar, en niet bij de dagkoersen, hoort de aandacht van de belegger te liggen.


