De kracht van indexfondsen zoals de S&P 500
Indexfondsen zijn grofweg samengesteld op basis van de grootste bedrijven binnen een markt. Wie erin belegt, profiteert daardoor van wat de aandelenmarkt te bieden heeft zonder zelf de winnaars te hoeven aanwijzen. In dit artikel richten we ons op de S&P 500: bij benadering de vijfhonderd grootste beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven. Het gemiddelde jaarrendement van deze index lag historisch rond de tien procent, gemeten in dollars en inclusief herbelegd dividend. Dat gemiddelde verhult echter grote verschillen van jaar tot jaar en het instapmoment is van grote invloed op het uiteindelijke resultaat.
De opbouw van de S&P 500
Het gewicht van een bedrijf in de S&P 500 wordt bepaald door de marktkapitalisatie: de totale beurswaarde van alle uitstaande aandelen. Bij het schrijven van dit artikel, in november 2025, was Nvidia het waardevolste beursgenoteerde bedrijf ter wereld, met een marktkapitalisatie van circa 4,6 biljoen dollar. Daarmee had het een gewicht van ongeveer 7,6 procent in de index; de koersontwikkeling van de S&P 500 werd op dat moment dus voor 7,6 procent bepaald door Nvidia alleen. Het op één na grootste bedrijf, Apple, woog circa 6,5 procent, terwijl het kleinste bedrijf in de index voor slechts 0,01 procent meetelde. De grootste bedrijven bepalen het koersverloop van de index dus in belangrijke mate.
Het probleem als iedereen in indexfondsen zou beleggen
Een gedachte-experiment: stel dat alle beleggers sinds de eeuwwisseling uitsluitend in de S&P 500 hadden belegd. Welke bedrijven uit de huidige top tien waren dan nooit tot de index doorgedrongen?
Wie een indexfonds koopt, koopt alle onderliggende bedrijven naar rato van hun huidige gewicht. Als iedereen uitsluitend zo belegt, vormt niemand nog een oordeel over individuele bedrijven en reageren koersen niet langer op bedrijfsspecifieke ontwikkelingen. De onderlinge verhoudingen binnen de index liggen dan vast: elk bedrijf behoudt bij benadering dezelfde waardering ten opzichte van de rest. Op de korte termijn is dat geen direct probleem, maar op de lange termijn raakt de marktkapitalisatie van individuele bedrijven daardoor losgekoppeld van hun onderliggende verdienvermogen — en daarmee van de realiteit. Juist dat verdienvermogen is cruciaal, want daaruit vloeit op de lange termijn het rendement voor aandeelhouders voort.
Tegelijkertijd vallen slecht presterende bedrijven niet meer uit de index en krijgen kansrijke nieuwkomers geen plek. Daarmee vervalt het oorspronkelijke doel van indexbeleggen: beleggen in een mandje van de beste bedrijven, zonder zelf de winnaars te hoeven kiezen.
Terug naar het gedachte-experiment: van de huidige top tien van de S&P 500 zouden maar liefst zeven bedrijven — Nvidia, Alphabet, Amazon, Meta, Broadcom, Tesla en Berkshire Hathaway — in een volledig passieve markt nooit tot de index zijn doorgedrongen. Voor Berkshire Hathaway geldt daarbij een kanttekening: dat bedrijf voldeed al veel langer aan de omvangseis, maar werd pas in 2010 opgenomen toen het ook aan de liquiditeitseisen voldeed.
Waarom stockpickers noodzakelijk zijn
Stockpickers beoordelen beursgenoteerde bedrijven stuk voor stuk en toetsen of de marktwaarde in lijn is met de onderliggende waarde. Een ondergewaardeerd bedrijf vormt voor hen een aantrekkelijke kans om rendement te behalen. Zodra voldoende stockpickers daarop inspelen, beweegt de marktwaarde richting de onderliggende waarde. En zolang de marktwaarde van bedrijven op de lange termijn in grote lijnen hun onderliggende waarde weerspiegelt, werkt het principe van indexfondsen zoals bedoeld.
Met andere woorden: juist doordat een groep actieve beleggers verkeerde waarderingen opspoort en corrigeert, werkt de aandelenmarkt ook voor passieve deelnemers. Zonder die actieve prijsvorming zou de samenstelling van de index structureel losraken van wat er fundamenteel bij de onderliggende bedrijven gebeurt. Passief beleggen bestaat, kortom, bij de gratie van actief beleggen.


